Voerlabels lezen, niet te doen!

002In maart 2015 staat de 7de editie van de European Equine Health and Nutriton Congress (www.equine-congress.com) in mijn agenda. Een congres over paardenvoeding voor onderzoekers, maar vooral ook professionals in de paarden- en voedingssector. Een van de speerpunten van dit congres is de praktische toepassing van wetenschappelijke kennis.
Nu ben ik gevraagd om samen met een Spaanse collega een workshop te organiseren over het lezen van voerlabels. Voerlabels lézen is niet zo moeilijk, maar de interpretatie best lastig.
In mijn werk hou ik me vooral bezig met het controleren van rantsoenen en geef zo veel mogelijk op maat advies. Daarbij zoek ik vaak de meest passende oplossing, waarmee ik zo goed mogelijk aangeef uit welke soorten ze kunnen kiezen in de brij van beschikbare paardenvoeders. En dus ben ik er allang achter gekomen dat een voerlabel heel beperkte informatie bevat en dat ik op basis daarvan niet goed een keus kan maken. Voor iemand die net een eigen paard heeft en voor het eerst, redelijk blanco, voer gaat zoeken, is dit een onmogelijke opgave!
Dus zo’n workshop is wel een goed idee, om te proberen daar enige duidelijkheid in te scheppen. Helaas blijft het niet eenvoudig om de juiste keuze te maken op basis van de beperkte gegevens op de verpakking. Daarnaast is de reeks voersoorten ongekend groot. En de variatie ook.

Op het voerlabel staat informatie over de ingrediënten en over de gehalten. Dit is wettelijk verplicht. Niet het hele recept staat erop. En slechts een beperkte selectie aan gehalten móet erop staan. Zetmeel en suikers vallen daar niet onder. De energie waarde ook niet, net zo min als het verteerbare eiwit. En van de ingrediënten weet je alleen dát ze erin zitten, maar niet hoeveel. Wel is het zo dat de eerst genoemde ook het grootste aandeel uitmaakt van het voer. Dat kan een indruk van bijvoorbeeld het zetmeelgehalte geven. Stel ‘bijproducten van tarwe’ staat als eerste vermeldt. Dit zijn restanten van de meelproductie. Het meel halen ze uit de tarwekorrel, over zijn de buitenste “schillen” die in fracties wordt verdeeld zoals tarwezemelen en tarwegries. Is dit het hoofdbestanddeel van een voer, dan is de kans groot dat het zetmeelgehalte niet zo hoog is. Staan gerst of haver als eerste in de rij, dan is een hoger zetmeelgehalte te verwachten.

Moet je altijd voor het hoogste gehalte gaan? Neem het vitamine E gehalte. Dit staat verplicht op de verpakking als toegevoegde stof. De variatie vitamine E in krachtvoer loopt flink uiteen, van 50 tot 500 g per kilogram voer. De behoefte aan vitamine E voor een paard in rust is anders dan voor een recreatie paard, sportpaard of een merrie met veulen. Niet alleen de behoefte is anders ook het ruwvoer dat ze krijgen zal verschillend zijn. Aan een paard dat weinig doet, geef je ruwvoer van een andere kwaliteit en hoeveelheid dan aan een sportpaard of een fokmerrie. Sportpaarden hebben meer vitamine E nodig dan een recreatie paard, maar krijgen vaak ook meer kilogrammen krachtvoer per dag. Oftewel het ½ kilootje voer dat het recreatie paard krijgt zou een veel hoger gehalte aan vitamine E moeten hebben dan de sportbrok, waar het paard misschien wel 5 kg per dag van krijgt. En vaak zie je dit in gehalten van voersoorten voor deze paarden juist andersom!
Dus de hoeveelheid ruwvoer én de hoeveelheid krachtvoer bepalen of het voer wel of niet geschikt is. Krachtvoer met een zetmeel en suikergehalte van 40% is aardig hoog, maar krijgt het paard maar een 0,5 kilo per dag dan is de zetmeel en suiker opname minder dan als hij 2 kg van een voer met 20% Z&S per dag krijgt (200 gram versus 400 gram). Gehalten zeggen dus weer niet alles!

Een voerfabrikant maakt in principe voer voor een bepaald type paard en schat een bepaalde dagelijkse opname. Het voer “past” als je het inderdaad in die hoeveelheid aan dat type paard geeft. Geef je of minder voer of aan een paard met andere behoeften, dan kan je de plank wel eens mis slaan.
Er zijn geen regels of wettelijke maatstaven voor gehalten in basisbrok of sportbrok voor paarden. Behalve natuurlijk de toxische grenzen van mineralen en vitaminen. De voersoorten die gemaakt worden lijken in zeer veel opzichten sterk op elkaar. Al doen de fabrikanten dat wel eens anders geloven. Ga je voersoorten met elkaar vergelijken dan zal je zien dat in beide categorieën voeders voorkomen die qua gehalten gelijk zijn, de sportbrok van de ene fabrikant heeft dezelfde waarden als de basisbrok van de andere.

Hoe hoog de gewenste gehalten dan moeten zijn blijft een lastig te beantwoorden vraag. Het is mogelijk om op basis van gehalten in ruwvoer en minimale of optimale ruwvoergift een reeks aan gehalten de berekenen die nodig zijn per kilogram voer bij een voergift van 1, 2, 3 of meer kilogram per dag.
Het zou makkelijker kiezen zijn als er een gradatie is in voersoorten. Als je paard met 1 kilo genoeg heeft is kies je uit een bepaalde categorie. Maar heeft hij meer kilogram nodig dan kies je uit een andere categorie. En dan kan je nog onderscheidt maken in het aandeel zetmeel en suiker, vetten en eiwit om verschillende typen paarden te voorzien van de juiste voedingsstoffen.

Maar zover is het nog niet. We moeten doen met wat er is. En niet om het een of ander, maar heb je wel eens een voerlabel op de zak proberen te lezen. Of de letters zijn veel te klein of de tekst staat op een onmogelijke manier in 10 talen op de verpakking. Het lijken wel trucs om mensen te ontmoedigen de informatie op te nemen. Dan kan je natuurlijk altijd nog internet raadplegen. Daar tref je dan dezelfde variatie aan in wel of geen duidelijke informatie over de verschillende voersoorten. Dus als je ergens door de bomen het bos niet meer ziet, dan wel in paardenvoer land. Dat mag wel wat eenvoudiger, duidelijker en meer gestructureerd!

Maar nu nog die workshop voorbereiden……..

Paarden voeren voor de wedstrijd

2014 Oudenbosch 3In de zomer rij ik enkele wedstrijden. Niet elke week, hoogstens 1-2 per maand. Moet ik daar mijn voerschema of voerhoeveelheden voor gaan aanpassen? Oftewel stap ik over op sportbrok of voldoet een rantsoen van ruwvoer en een supplement ook nog?
Wedstrijd rijden klinkt erg serieus, maar de gradatie in zwaarte is wel erg groot. Een aanpassing in het voeren is niet altijd nodig. En als het goed is past de training bij de wedstrijd die je gaat doen, dus is het paard voorbereid en er klaar voor.

Vaak zijn wedstrijden regionaal en makkelijk bereikbaar. Paarden gezadeld en wel, ruiters in vol ornaat komen met auto en trailer aan, rijden een proef en vertrekken weer. Meer een ander soort training dus.
Anders wordt het als de wedstrijd op een afstand van een paar uur rijden is en je een paar keer de wedstrijdring in moet of als de wedstrijd een aantal dagen duurt.
Met lange reizen en meerdaagse wedstrijden moet je wel even nadenken wat je het paard wanneer te eten geeft. Je doorbreekt het dagelijkse ritme, en dat kan stress opleveren en de vertering veranderen. Tijdens het reizen in een trailer levert het paard een inspanning. Het kan zijn dat de maagdarmwerking dan vertraagt.
Krachtvoer blijft, afhankelijk van de hoeveelheid, een aantal uren in de maag. Pas als het is aangezuurd door de maagsappen stroomt het geleidelijk naar de dunne darm, dit kan wel 1-3 uur duren. Een vertraagde maaglediging kan voor problemen zorgen. Vandaar dat je het paard liever geen krachtvoer geeft voor het reizen. Ook voor de terugreis iets om te onthouden. Aangezien ruwvoer snel door de maag naar de dunne darm gaat geeft dit weinig risico en mag dus altijd.

Om dezelfde reden geef je voor het werken geen krachtvoer. Volgt er een drukke wedstrijddag en is er weinig tijd om daarvoor krachtvoer te geven, overweeg dan om dit de avond voor vertrek al te doen. Dan kan je vroeg vertrekken en het paard alleen wat hooi geven. Reken het voerschema voor de rest van de dag uit zodat het paard in de 24 uur zijn gangbare rantsoen krijgt.

Vraag je een inspanning dan beschikken de spiercellen over een kleine voorraad hele snelle brandstof voor enkele minuten, en schakelen dan over op glucose voor nog een aantal minuten werk om na ca. 20 minuten met vetzuurverbranding te beginnen. Op momenten van plotselinge krachtige inspanning kan het paard altijd nog snel glucose uit de glycogeenvoorraad gebruiken.

Zetmeel en suikers uit krachtvoer worden in de dunne darm afgebroken tot glucose. Glucose in het bloed leidt tot afgifte van insuline uit de alvleesklier. Insuline is noodzakelijk om glucose van het bloed naar de weefsels en dus de spieren te krijgen. Het opgenomen suiker van een gewone maaltijd geeft maar heel even energie aan de spieren. Met losrijden erbij meestal onvoldoende om een wedstrijd mee vol te houden. De spiercel moet dus sowieso overschakelen op een andere brandstof. Zolang er een hoog insuline gehalte is, maakt het lichaam maar moeilijk energie uit vetreserves vrij. De spiercellen komen in energienood en kunnen minder goed hun werk doen.
Uit onderzoek blijkt dat tot wel 5 uur na het eten van een krachtvoerrijke maaltijd de invloed van de opgenomen zetmeel en suikers op de insuline- en dus energiehuishouding negatief kan uitwerken op de prestatie. Dat is onderzocht bij racepaarden die vrij grote krachtvoerrijke maaltijden kregen. Als je 3 uur aanhoudt voor de maaglediging is dat waarschijnlijk voldoende om dit negatieve effect te beperken bij andere disciplines van de paardensport.

Zowel voor de maagwerking als voor de invloed op de insulinehuishouding is het geven van een schep krachtvoer vlak voor een flinke inspanning niet zo gunstig. Alhoewel dit wel eens gebeurt bij hele korte race prestaties. Want stel dat je exact weet wanneer het voer dat je geeft leidt tot een stijging van de glucosespiegel in het bloed, dan hebben de spieren deze snelle brandstof voor een korte prestatie tot hun beschikking. Als dit een kleine hoeveelheid zeer goed verteerbare suiker is, is het nadelige effect op de vertering misschien beperkt. In de race wereld zijn hier speciale koolhydraatrijke mengsels voor gebruikt (die met een sonde werden ingegeven). Omdat het risico op verteringsstoornissen groot is en met name de timing erg moeilijk, is dit geen praktijk die ik adviseer.

Wat kan je dan wel doen om de voeding de prestatie te laten verbeteren? Dat begint bij een goed voerbeleid door de maanden en jaren heen. Het is niet realistisch om de denken dat een paard beter gaat presteren als je vlak voor de wedstrijd opeens een ander voer of supplement geeft. Zorg in ieder geval voor een continu voerbeleid dat past bij de prestaties van het paard. Oftewel de voersamenstelling moet alles bevatten wat het paard nodig heeft. Energie, eiwitten en mineralen en vitaminen. Tijdens de opleiding van het paard verandert de behoefte en zal je elke keer het rantsoen moeten bijstellen.
Niet voeren voor de prestatie, maar wel erna. Voor het herstel is het goed om dan energie op te nemen (juist glucose voor het aanvullen van de glycogeenvoorraad als deze is aangesproken), maar ook mineralen en vitaminen. Heeft het paard veel gezweet dan zijn extra zouten of elektrolyten nodig om de tekorten aan te vullen, en vooral ook om het paard te prikkelen om water te drinken.

Voor elke type prestatie ligt het voedingsadvies weer wat anders. Dit heeft te maken met de zwaarte van het werk. Een dressuurproef is voor het paard niet zeer inspannend, ook een springparcours kan een getraind paard makkelijk aan. Het wordt al zwaarder als er meermalen op de dag een prestatie wordt verwacht en dat een aantal dagen achter elkaar. En wat te denken van een endurance wedstrijd. Tijdens een endurance wedstrijd moet het paard tussendoor eten, om de darmbeweging gaande te houden, maar ook om energie op te nemen.

Voor veel paarden is de inspanning waarschijnlijk lichter dan menig ruiter denkt. Een uur dressuur rijden kan voor de ruiter soms meer inspannend zijn dan voor het paard. Echte kracht-piek prestaties komen weinig voor. Wat ook betekent dat een paard puur op kracht trainen een uitdaging is. De meeste trainingen zijn voor het paard al snel een duurprestatie. Voor duurprestaties gebruiken spiercellen vetzuren als brandstof. Vetzuren heeft het paard voldoende op voorraad als de body conditie score goed is en het rantsoen veel ruwvoer bevat eventueel aangevuld met een vetrijk krachtvoer.

Interessante materie: voeding van sportpaarden. En nog veel meer over te vertellen.
In de cursus Voedingsconsulent paard voor dierenartsen besteed ik er een Vervolgmodule aan. Deze vindt plaats op 11 december 2014. Dierenartsen die mee willen doen moeten eerst de Basismodule gevolgd hebben (Basismodule: 7 november 2014). De opzet is om praktische informatie te geven over het beoordelen van de training van paarden (hoe zwaar is het eigenlijk? Is het wel een effectieve training? En vraagt het een aanpassing in de voeding?) en over de aan voeding gerelateerde aandoeningen die bij sportpaarden veel voorkomen, zoals spierproblemen en maagzweren. Met inspanningsfysioloog Carolien Munsters (www.moxiesport.nl) krijgt deze cursus een extra praktisch tintje aangezien zij gespecialiseerd is in de controle van de fitheid van sportpaarden en het opstellen van trainingsprogramma’s. Zo kan de dierenarts de begeleiding van sportpaarden uitbreiden naar gericht advies over voeding en training. Essentieel omdat het uiteindelijk natuurlijk gaat om het totale plaatje voor de optimale prestatie en de gezondheid van het paard. Van 1 supplement gaat een paard niet hoger springen en van 1 extra dressuurles ben je nog geen wereldkampioen. Alles moet kloppen, gezondheid, voeding en training en daar moet hard voor gewerkt worden.

Het gras groeit weer, pas op voor hoefbevangenheid

Bevangen welsh 1Het weideseizoen is weer begonnen. Heerlijk toch, je paard in de wei zetten zodat hij kan lopen, rennen, grazen en met andere paarden kan kroelen. Het is een moment waar we de hele winter op wachten. Het opstallen en in kleine ruimte zetten is nu eenmaal niet ideaal voor deze bewegingsdieren. En toch, en toch…
Ik hoorde van de week over een hoogdrachtige merrie, nog een maand te gaan, die niet meer kan lopen van de pijn en haar dagen voornamelijk liggend doorbrengt. Ze lag maar in de wei, viel de eigenaar op. Toch eens kijken of er iets aan de hand is? Blijkt ze aan vier benen hoefbevangen te zijn! Hoe moet dit nu nog goedkomen met merrie en veulen?
En zo zijn er meer verhalen van paarden en pony’s die de laatste weken hoefbevangenheid hebben gekregen nadat ze in de wei hebben gestaan.

Is weidegang dan toch niet het meest ideale recept voor je paard?
Het antwoord is weer eens wat genuanceerd. Ja, weidegang is ideaal voor paarden, echter de omstandigheden in ons kikkerlandje zijn misschien voor onze paarden iets te goed. En sommige paarden blijken extra gevoelig. Hadden wij maar uitgebreide steppegebieden waar ze over konden trekken om sprieten gras te eten…

Gevoelige paarden
Insulineresistentie komt voor bij paarden die te dik zijn, maar ook bij paarden met PPID (Cushing) en tijdelijk bij hoogdrachtige merries en soms door chronische ontstekingen en bij paarden die aanleg hebben om snel te dik te worden (Equine Metabool Syndroom). In geval van insuline resistentie is een portie suiker (bijvoorbeeld uit gras) aanleiding voor het ontstaan van hoefbevangenheid. Paarden zonder insulineresistentie in dezelfde wei hebben nergens last van.
Maar ook zonder insulineresistentie kan het paard op de wei hoefbevangenheid krijgen. Dan is het meestal veroorzaakt door een te snelle overgang of een snelle verandering in de gehalten van het gras die leiden tot een verteringsstoornis. Een uit balans geraakt evenwicht tussen verschillende darmbacteriën zorgt voor de opname van giftige stoffen in het bloed die hoefbevangenheid geven (misschien ook via insulineresistentie, onderzoek!) . In deze categorie ook weer paarden die daar extra gevoelig voor zijn en eerder reageren dan andere paarden. De darmflora gezondheid is per paard zeer verschillend. Bij sommige paarden is het evenwicht tussen diverse bacteriën uitermate labiel. En dus krijgen zij wel hoefbevangenheid (of koliek) terwijl andere paarden in dezelfde situatie nergens last van hebben.

Niet elk voerregime is voor elk paard geschikt.
Neem voor elk paard dat van stalrantsoen naar het gras overgezet wordt de tijd: geef elke dag een half uurtje of een uurtje meer. Geef eerst op stal wat hooi en uiteindelijk is 5 uur weidegang voor de meeste paarden voldoende. Uiteraard controleer je elke 6 weken de body condition score en stel je het rantsoen bij als je paard te dik of te dun wordt. Heeft je paard insulineresistentie of een zeer gevoelige darmflora, stel de weidegang dan uit totdat het gras wat hard en stengelig is geworden en niet meer zo snel groeit. Dit kan wel tot juni duren! Maar liever een gezond paard dan een paard met hoefbevangenheid. Vezelrijk gras is gezonder voor de darmflora. Maak de darmflora gezonder en stabieler met Sanéqui Colon. En gebruik een graasmasker om het paard minder snel te laten eten. Hoefbevangenheid treedt op nadat er snel en veel suikers in het bloed een hoge insulinepiek geven. Geleidelijke gras(suiker)opname is veiliger. Is het paard te dik, probeer het dan eerst te laten vermageren voordat hij weer op de wei gezet wordt. Weidegang en laten afvallen is geen goede combi.

Grassuikers stijgen en dalen
Grasgroei is afhankelijk van temperatuur, zon, water en voedingsstoffen. Door zonlicht maakt het gras suikers aan om van te groeien. Het gras groeit in het voorjaar hard, de aangemaakte suikers worden snel opgebruikt. Maar als het een nacht koud is, zal het gras de opgebouwde suikers niet gebruiken en dus stijgt het suikergehalte. Op die momenten geef je liever geen weidegang in de ochtenduren (of de hele dag).
In de zomer kan het gras ook suikerrijk zijn als het lange tijd droog is. Dat betekent wederom, geen weidegang, zeker niet voor gevoelige paarden.
Bij gematigde temperaturen: geef weidegang in de ochtend als je suikeropname wilt beperken.
Bij warme dagen en koude nachten: geef géén weidegang in de ochtend, het gras is mogelijk suikerrijk!

Hoefbevangenheid ook op de kale wei
Een te dik paard op een kaal graslandje zetten is niet de beste manier van vermageren. Het paard blijft eten, trekt sprieten eruit en krijgt zo veel zand binnen. De hoeveelheid vezels zijn te weinig waardoor de darmflora ongezond wordt (diarree). En let erop, op een kort, kaal landje groeit wel gras. Dus als het kort blijft, betekent dit dat het (groeiende) gras door het paard is opgegeten. Met de eventueel hoge suikergehalten. Dus ook op een kaal landje kan het paard hoefbevangenheid krijgen! Veilig en vooral gezond vermageren kan prima met Sanéqui Non-obesitas.

In de natuur trekken ze voort. Het gras eten ze op, de mest laten ze achter. Na een lange periode keren ze weer terug. Kortom, het gras kan weer groeien in de tussentijd. De weilanden bij ons zijn voor de meeste paarden toch maar een beperkte oppervlakte. Vandaar dat wij onze paarden ook tijdig weer uit het land moeten halen. Geef het gras rust en tijd voor hergroei. Maak een beweidingsplan en een -strategie om paard en wei gezond te houden.

Die verrekte darmbacteriën ook!

natte mest close up Al een tijdje wordt ik op de hoogte gehouden over de mestkwaliteit van een paard. Zo gaat het weken goed en zo is er opeens weer een grote hoeveelheid water bij de mest. Echte aanleidingen zijn eigenlijk niet te vinden. Ondanks alle moeite en inspanning door de eigenaresse, blijft het een niet geheel stabiele situatie daar in die darmen.

De darmflora is voor de gezondheid van het paard waarschijnlijk de belangrijkste schakel. Zonder de juiste combinatie en hoeveelheid aan bepaalde bacteriën, protozoën en schimmels is een groot deel van het voer niet te verteren, en is de kans groter op opname aan giftige stoffen en daalt de weerstand. Ondanks het feit dat dit zo’n belangrijk onderdeel is in het hele paarden gezondheidsverhaal, is er maar betrekkelijk weinig over bekend. De crux voor het maken van een gezond paardenmenu is ervoor te zorgen dat de darmflora optimaal functioneert. Soms is dat betrekkelijk eenvoudig voor elkaar te krijgen door het paard vooral veel ruwvoer te geven. Dat dat ruwvoer ook weleens verstorend kan zijn, is in de voorgaande blog aan de orde geweest. Maar soms is alleen ruwvoer niet voldoende. En is meer nodig om het aandeel goede bacteriën in aantal te laten toenemen en duidelijk de overhand te laten krijgen over de ‘slechtere’. En dan nog blijft het dus soms een labiele situatie.

De darmflora heeft verschillende functies: energieproductie, bescherming; bepaalde bacteriën kleven aan de darmwand en zorgen ervoor dat bepaalde gifstoffen of slechte bacteriën er niet door kunnen en weerstand; door hun aanwezigheid stimuleren bacteriën de immuniteitscellen die vlak onder de darmwand liggen.

Een ziekte tijdens de eerste maanden in het leven van het veulen kan nadelig effect hebben op de ontwikkeling van een gezonde darmflora. En mogelijk heeft erfelijkheid hierin ook nog een rol. Uiteindelijk kan het dus zijn dat sommige paarden een darmflora hebben die minder gezond is en eerder uit balans raakt. Oftewel, daar waar de meeste paarden helemaal geen koliek of diarree van krijgen, krijgt dit paard dat wel. Dit verklaart dus de individuele verschillen en reacties op voedermiddelen.
Ondersteuning met probiotica, prebiotica, snel fermenteerbare vezels, maar misschien zelfs wat krachtvoer kan de balans verbeteren. Dan komt de simpele vraag: wat en hoeveel moet je geven voor het beste resultaat?
Voor je daar maar enigszins een antwoord op kan geven is verdieping nodig in deze materie. Er zijn eigenlijk geen wetenschappelijke publicaties over deze specifieke patiënten met één van deze toevoegmiddelen. Alleen over de effecten van probiotica (mn levende gistcellen) is redelijk veel gepubliceerd, met name over het effect op de verteerbaarheid in de blinde- en dikke darm bij gezonde paarden.
De darmflora samenstelling krijgt de laatste tijd gelukkig wel extra aandacht. Slechts 5% van de darmbacteriën zijn daadwerkelijk bekend, de overige zijn wel in groepen te plaatsen, maar niet volledig gedetermineerd. DNA-technieken brengen hier nu verandering in.

Ongeacht de weinig beschikbare kennis over effecten op de gezondheid van het paard, laat staan de werkzaamheid, zijn er tal van supplementen beschikbaar die probiotica en prebiotica bevatten. De supplementen hebben vaak een variatie aan ingrediënten zonder exacte gehalten te vermelden zodat het niet duidelijk is hoeveel het paard binnenkrijgt. Van het beetje onderzoek bij het paard, maar ook bij andere diersoorten is wel bekend dat zowel van de gistculturen als van bijvoorbeeld inuline of fructo oligosacchariden (FOS) (prebiotica) een bepaalde hoeveelheid nodig is om enig effect te sorteren. Voor de prebiotica is dat het minst onderzocht, maar met 25-30 g per dag aan bijvoorbeeld inuline stijgt het aantal darmbacteriën en produceren ze meer energie voor het paard. Of een supplement met 2, 4 of 10 gram FOS of inuline dan iets uithaalt is de vraag.
Van de gistsoort Saccharomyces Cerevisiae bestaan wel 1000 variëteiten. Vandaar dat de naam eigenlijk nog niet alles zegt. Voor het paard zijn momenteel drie soorten geregistreerd die als probioticum gebruikt kunnen worden (Yea-sacc 1026, Actisaf SC 47 en Biosprint 39885). Daarvoor staat ook duidelijk een dosering vermeldt. Minder toevoegen geeft minder of geen effect. Controleer of het supplement één van deze gistculturen bevat, anders heeft het voor de darmgezondheid weinig zin.
Andere probiotica, zoals bacteriestammen, zijn voor het paard nog niet geregistreerd. Dus als er bijvoorbeeld op het supplement staat dat er Lactobacillen in zitten of Bifidobacteriën, dan is dit voor de gezondheid van het paard volslagen nutteloos. Het werkt niet!

Alles wat doorstroomt uit de dunne darm is voedsel voor de darmbacteriën. Een groot deel van het zetmeel, vet en eiwit zal in de dunne darm verteerd zijn. Maar (bijna) nooit voor 100%. De voedselbrij die de dikke darm binnenstroomt bevat hoofdzakelijk vezels plus kleine hoeveelheden zetmeel, eiwitten en een beetje vet. Krijgt het paard geen krachtvoer, dan ook geen opname van zetmeel. Zetmeel is door bacteriën wel een hele makkelijk te gebruiken energiebron, waar ze dus goed van kunnen groeien. Dit zijn niet de ideale bacteriën om veel van in de darmflora te hebben, omdat ze melkzuur produceren en de zuurtegraad beïnvloeden. Maar als er voldoende melkzuur-‘etende’ bacteriën zijn, dan krijgen die juist wat extra voedingsstoffen en vermeerderen zich, en dit zijn wel geschikte darmbacteriën. Zo is ook eiwit, of eigenlijk stikstof, onmisbaar voor een goede bacterieflora. Uit onderzoek blijkt dat een klein deel krachtvoer aanvulling op een ruwvoer rantsoen de totale verteerbaarheid van het rantsoen verbetert en zorgt voor een grotere hoeveelheid bacteriën in de blinde en dikke darm. Het komt er dus op neer om de juiste balans zien te vinden.

Pectine vezels mogen in dit kader niet onbesproken blijven. Celwanden van voedermiddelen bestaan uit cellulose, hemicellulose en pectine. De eerste twee zijn wat traag af te breken door de bacteriën, maar pectine gaat vrij snel en gemakkelijk. Pectinevezels stimuleren de bacteriegroei en versnellen de fermentatie. De totale biomassa in de dikke darm neemt dus toe. Een grote biomassa van ‘goede’ bacteriën is minder snel uit balans te brengen dan een kleine biomassa, als er plotseling teveel zetmeel doorstroomt uit de dunne darm. Pectine komt veel vooral veel voor in de vezels van bietenpulp, maar ook in fruit. Een kleine toevoeging aan het rantsoen kan de darmgezondheid verbeteren. Uiteraard wel even in water laten weken. Met 200-300 gram (droog gewicht) per dag hoef je niet bang te zijn om bijvoorbeeld teveel suikers te geven. Want dat gehalte is minder dan 10%, en geeft geen risico, ook niet voor de zogenaamde ‘suikergevoelige” paarden. Gedroogde appelpulp zoals in de Sanéqui voeders worden gebruikt, hebben hetzelfde effect, maar geven geen kans op bijvoorbeeld een slokdarmverstopping (zoals bij het geven van droge bietenpulp).
Uitbalanceren van het rantsoen tot de juiste samenstelling is bereikt waarbij de darmflora van het paard zo optimaal mogelijk functioneert blijft een continue zoektocht. En helaas kunnen we niet ín het paard kijken wat er gebeurt en moeten we het doen met hoe het paard gezond blijft, presteert en welke mest hij produceert. Verandert er iets in de situatie, zoals het ruwvoer, dan moet je opnieuw de juiste balans gaan zoeken. Vandaar dat voeding een dynamisch onderdeel is en altijd je aandacht nodig heeft.

Mogelijkheden en risico’s van voordroogkuil voor paarden

Grootpak openen 6 plak pakken klein Het lijkt of deze winter meer klachten zijn van paarden die last hebben van teveel mest water dan anders. Na de mest komt nog een plasje water na. Dit fenomeen is meestal een gevolg van een verstoorde darmflora en voerafbraak in de dikke darm. Het ruwvoer kan hier oorzaak van zijn. Maar ook de gevoeligheid van het paard speelt een rol. Niet elk paard krijgt klachten van hetzelfde voer. Voordroogkuil kan schimmelen nadat het pak geopend is. Misschien dat door de ongekend warme winter tot nu toe, dit vaker voorkomt. Maar ook op hooi kan de fermentatie verstoord raken. Moet je nu hooi of kuil voeren is een vraag die heel vaak tijdens lezingen terugkomt. Voor sommigen is het heel simpel: voer paarden alleen maar hooi. Om vervolgens te beweren dat voordroogkuil puur slecht is voor paarden. Een bewering waar ik het niet mee eens ben. Dat niet alle paarden altijd gezond blijven op “ingepakt” ruwvoer is een feit. Maar dat geldt ook voor hooi. Kortom, het ligt weer wat genuanceerder. Uiteindelijk draait het om de kunst van het maken van goed ruwvoer en de kunde van het beoordelen of het geschikt is voor het betreffende paard. Want laten we wel wezen als je zelf niet in staat bent een juiste keuze te maken, waar ligt dan het probleem?

De theorie
Hooi en kuilvoer zijn geconserveerde grasproducten. De conserveringsmethode van hooi is “drogen”. Bij een hoog droge stofgehalte (> 80-85%) is er onvoldoende vocht voor bacteriën of andere micro-organismen om te groeien. Is het gras onvoldoende droog (denk aan binnenzijde grasstengels) dan ontstaat er schimmel in de baal. Te nat opgeslagen hooi gaat vaak eerst broeien. Broei betekent dat de oxidatie in de plantencellen nog steeds doorgaat. Energie en vooral eiwitten gaan verloren en er ontstaat warmte. Weinig broei kan niet veel kwaad, maar de voederwaarde daalt wel. Het risico van broei is dat er daarna vaak schimmels groeien. Komt er vocht (damp of regen) op de baal dan schimmelt de buitenzijde. Schimmel ruikt muf en zurig en kan zwart of wit of kleurloos zijn. Schimmelstof komt vrij bij schudden van het hooi, dit kan luchtwegklachten geven bij het paard. Schimmel kan ook leiden tot diarree of koliek. Voordat hooi van het land gehaald wordt moet het dus kurkdroog zijn (kunst van de boer!).
Kuilvoer, graskuil, voordroogkuil zijn termen die door elkaar heen gebruikt worden voor hetzelfde product. Kuilvoer is gras geconserveerd door “licht drogen en verzuren”. Ontstaan om het weerrisico van het hooien te verminderen en een rijker product te maken voor de hoge voerbehoefte van melkkoeien. Het gras blijft korter op het land liggen tot een droge stofgehalte tussen de 30-60%. Daarna wordt het gras luchtvrij samengeperst en ingepakt. Op het gras leven verschillende bacteriën. De gecreëerde omstandigheid, zuurstofarm en licht vochtig, is het ideale klimaat om melkzuurbacteriën te laten groeien en niet de boterzuurbacteriën of de rottingsbacteriën. De verzuring die ontstaat door de melkzuurproductie conserveert het gras. Indien zuurstof het pak binnenkomt (gaatjes), is de kans groot dat schimmels gaan groeien (zuurstof nodig). Is het gras te nat bij het inpakken dan kunnen boterzuurbacteriën of rottingsbacteriën groeien en het product bederven. Is het gras te droog, dan groeien de melkzuurbacteriën minder goed. Zijn het lange harde droge grasstengels dan kan het moeilijker zuurstofvrij gemaakt worden vanwege de veerkracht bij het samenpersen, en is de kans op broei en schimmelgroei groter. Het maken van een goed geconserveerde kuil komt dus best nauw (kunst!).

De praktijk
Nu je weet hoe de conservering werkt in hooi en graskuil, wekt het waarschijnlijk geen verbazing dat het zogenaamde ingepakte hooi (haylage), een veel gebruikte term voor zeer droog voordroogkuil, een redelijk risicovol product is. Want gras droger dan 65-70% verzuurd minder (pH 5,5-6,5). Hoe goed geconserveerd is het dan eigenlijk? Broei en schimmel liggen op de loer. Is het meer dan 85% droge stof dan is het echt hooi. Om daar plastic omheen te wikkelen lijkt weinig zinvol, behalve wellicht om het buiten op te slaan. Het risico van schimmel duikt dan weer de kop op, omdat condens de binnenzijden van het plastic nat maakt. Toch zijn er volop goed geslaagde voordroogkuilen voor paarden, vaak relatief droog (60-65%) en licht verzuurd (pH rond 5,5-6). De variatie in partijen, maakt de geschikte keuze lastig. Je moet wel goed in staat zijn de kwaliteit te controleren. Bij aankoop is dat niet te doen. Een voerhandelaar zou een analyse moeten kunnen overleggen (als dat eens een nieuwe trend wordt!). Op de analyse staat het droge stof gehalte, de zuurtegraad, de ruwe celstof en het suikergehalte, maar ook het ammoniakgehalte. Ammoniak is een bijproduct van eiwitafbraak dat ontstaat tijdens bederf. Een hoog ammoniakgehalte geeft aan dat de conservering niet goed gelukt is. Maar let op, nadat de analyse is gedaan kan het product veranderen of het monster voor analyse is op een verkeerde plek genomen en niet representatief. Blijf dus alert op wat je ziet en ruikt. De geur van voordroogkuil is fris-licht zurig. Zodra de frisheid ontbreekt is het een ouder product of kan het minder goed zijn. Het wil niet direct zeggen dat je paard daar meteen problemen mee krijgt. Stinkt het voer, dan is het niet goed meer.

Andere eigenschappen
Droge stofgehalte en zuurtegraad zeggen nog niet alles. De verteerbaarheid en het effect op de darmflora of de mest wordt ook beïnvloedt door het vezelgehalte (ruwe celstof), de hoeveelheid eiwit en het aandeel suikers. Tenslotte moet het paard gewend zijn aan een bepaald ruwvoer, oftewel moet de darmflora geleidelijk zijn aangepast om het voer te kunnen afbreken. Overgang naar ander ruwvoer met andere eigenschappen kan altijd weer leiden tot een verteringsstoornis omdat de bacterieflora tijd moet krijgen zich aan te passen.

Het ene paard is het andere niet
De darmflora is niet bij elk paard gelijk. Na de geboorte zijn er geen micro-organismen in de darmen. Die komen pas binnen als het veulen van alles gaat eten. Zoals de mest van zijn eigen moeder. Dat is dus niet voor niets. In de mest zitten bacteriën uit de darmen. Tijdens de eerste maanden is het darmslijmvlies en milieu zodanig dat bacteriën zich daar kunnen vestigen. Ze gaan een samenleving aan met het veulen. Zij leven van het voedsel dat het paard eet. En de stoffen die ze produceren bij de afbraak daarvan komt weer ter beschikking van het paard (energie). Bepaalde bacteriën blijven in de darm anderen stromen er doorheen. Een variatie van soorten blijft achter. Goede en minder goede. Zolang de minder goede in de minderheid blijven is er geen probleem. De verhouding tussen deze groepen kan bepalen hoe snel het paard verkeerd reageert op bepaald soort voer. Als voer wat sneller afbreekbaar is of wat besmet is met schimmels, kan het evenwicht bij het ene paard eerder naar de verkeerde kant doorslaan dan bij het andere paard. Eenmaal een wat labiele darmflora kan betekenen dat dit altijd zo blijft. Met pro- of prebiotica zijn bepaalde groepen bacteriën te stimuleren, maar stop je met toevoegen dan vervalt het weer in de oude situatie. Voor deze paarden kan een kleine verandering in de kwaliteit van het ruwvoer dus grotere gevolgen hebben dan voor paarden met een stabiele darmflora.

Situatie en paard zijn bepalend
Voordroogkuil en hooi zijn beiden ruwvoersoorten die je aan paarden kan voeren. De variatie in kwaliteit, maar ook de variatie in behoefte en gevoeligheid van het paard, maakt dat er geen standaard advies is om óf voor hooi óf voor kuil te kiezen. Vaak maak je de keuze op basis van de praktische omstandigheden. Bij onvoldoende opslagruimte kies je voor plastic balen. Uiteindelijk is natuurlijk het paard wat de doorslag geeft. Geeft voordroogkuil keer op keer koliek of teveel mestwater, dan is de overkapping voor droge opslag van hooi zo gemaakt.

En dan nog even dit.
De bacteriën in kuilvoer verstoren niet de darmflora. Bacteriën uit voedsel worden in maag en dunne darm onschadelijk gemaakt en verteerd. Verhalen over melkzuurbacteriën uit kuilvoer die de darmflora verstoren en zelfs leiden tot darmwand beschadigingen met lever- en nierschade of eczeem en mok tot gevolg zijn onzin!!

De anti-suiker-hype voorbij

Op de valreep kreeg ik vorige week toch nog de kans een mythe de wereld uit kunnen helpen. Aan het einde van een gastles voor studenten van Van Hall uit Wageningen stelde ik de vraag waar hoefbevangenheid door werd veroorzaakt. Met enige zekerheid wisten een paar mij te vertellen dat dit eiwit moest zijn. Nee dus, eiwit is niet de oorzaak van hoefbevangenheid. Deze veronderstelling heeft lang stand gehouden, maar moet nu echt de wereld uit. Het kan zijn dat het gras, waar het paard hoefbevangen van is geraakt, eiwitrijk is, maar dit maakt het nog niet de oorzakelijke factor. Dit misverstand is wel oorzaak van de eiwitangst die (nog steeds) bestaat onder paardenhouders. Door de vraag naar eiwitarme voeders, is vooral het hooi en kuil dat voor paarden bestemd is steeds eiwitarmer geworden. Bemesting is namelijk ‘uit den boze’ want daar wordt het gras te eiwitrijk van. En dus zie ik steeds vaker sportpaarden die te weinig presteren en onvoldoende spieropbouw hebben doordat het rantsoen te weinig eiwit bevat. 

Afbeelding

De studenten uitgelegd dat niet eiwit maar makkelijk verteerbare suikers oorzaak kan zijn van hoefbevangenheid. Omdat deze bij insuline resistente paarden door een sterke stijging van insuline hoefbevangenheid geven en omdat deze bij doorstroming naar de dikke darm een fermentatiestoornis geven die op haar beurt weer kan leiden tot hoefbevangenheid. Suiker lijkt dan ook qua angst bij de paardeneigenaar de rol van eiwit te hebben overgenomen. En aangezien angst een slechte raadgever is, is dit geen goede zaak. Er verschijnen producten op de markt met steeds lagere suikergehalten. Interessant is het feit dat ruwvoer door velen niet met suikers worden geassocieerd en weinig aandacht krijgt. Wel zoekt men nog steeds naar “arm” ruwvoer. Het toeval wil nu dat ruwvoer dat arm is aan energie én arm is aan eiwit, juist suikerrijk kan zijn. Dan heeft men met veel moeite een krachtvoer gezocht met een heel laag suikergehalte, en wordt het paard hoefbevangen door suikerrijk hooi!

Maar suikers zijn niet slecht. Suiker is een energiebron. De hoeveelheid maakt dat suikers uiteindelijk ook slechte gevolgen kunnen hebben. Zelfs voor paarden met insuline resistentie is een beetje suiker niet schadelijk. Het gaat dus om de nuance. Hoeveel is veel en wat is een beperkte hoeveelheid?

Elk rantsoen bevat suiker, ook een rantsoen van alleen ruwvoer. Afhankelijk van het suikergehalte in hooi kan een KWPN-er daar wel 1000-1500 gram per dag van opeten! Eén tot 1,5 (of zelfs 2) kilo dus! En daar hoeft de eigenaar niets van te merken, zolang het om een gezond paard gaat. Ga je echter niet alleen suikers uit hooi geven maar ook zetmeel uit granen, dan bepaald de beperkte verteerbaarheid in de dunne darm wat de maximale hoeveelheid is. Suikers, zoals glucose en fructose zijn goed verteerbaar. Zetmeel heeft een ander verteringsproces en is minder goed verteerbaar. De maximale hoeveelheid voor gezonde paarden ligt bij 2 g zetmeel/kg LG/voerbeurt. Geeft je heel veel kleine porties per dag dan heeft de darm voldoende tijd het zetmeel af te breken. Dus voor deze KWPN-er (600 kg) maximaal 1200 g zetmeel per voerbeurt. Dit is nog tamelijk veel, want omgerekend in haver komt dit uit op 3 kg! En dat is eigenlijk weer net teveel voor 1 voerbeurt. Voor paarden die insulineresistent zijn staat dit maximum op 0,3 g zetmeel/kg LG/voerbeurt. Zou je in deze situatie haver willen geven, dan is dat maximaal 450 gram per voerbeurt. Toch meer dan menigeen zou denken. Maar omdat dit vaak ook dikkere paarden zijn, is er geen enkele reden haver te gaan voeren. Een paard dat te dik is heeft geen krachtvoer nodig, dus ook geen suikerarm krachtvoer (contradictio in terminis)! Heeft het paard geen overgewicht en toch insulineresistentie dan kan PPID (voorheen de ziekte van Cushing) de oorzaak zijn. Met behandeling gaat dit weer over en zo ook de noodzaak zeer suikerarm te voeren. Andere gevallen van paarden zónder overgewicht en mét insulineresistentie zijn weinig gangbaar. Dus van waar die anti-suikerhype eigenlijk?!

Zijn er dan redenen om wel suikers te voeren? Jazeker, voor paarden die als prestatie een zeer snelle krachtige inspanning moeten leveren zijn het goede energie leveranciers. Het opslaan van glycogeen in spierweefsel gebeurt meer als het paard suikers eet. Glycogeen is de brandstof als het paard snel energie nodig heeft. Ook op alleen ruwvoer kan het paard de glycogeen reserve vergroten. Ruwvoer bevat minder suiker dan het krachtvoer natuurlijk, maar het ruwvoer kan via de omzetting in de darmflora naar vluchtige vetzuren ook nog voor glucose zorgen. In de darmflora ontstaan vluchtige vetzuren uit de omzetting van vezels. De grootste groep is azijnzuur, die direct als energiebron gebruikt kan worden of in vet wordt omgezet. Een kleinere groep is propionzuur. De lever zet propionzuur om in glucose. Dus hoe meer propionzuur het paard maakt in de dikke darm des te meer glucose het ter beschikking heeft voor de glycogeenreserve. Nu blijkt dat paarden die volledig op ruwvoer worden getraind voor een snelle, korte prestatie (drafren), iets minder glycogeenreserve maken dan als ze op een meer krachvoer rijk rantsoen staan. Dus voor een optimale of misschien wel maximale glycogeenreserve is extra krachtvoer nodig. De prestaties tussen deze twee groepen dravers waren overigens niet verschillend. De glycogeenhoeveelheid in de spieren is uiteraard niet de enige factor om een goede prestatie neer te zetten.

Hoeveel extra krachtvoer dan voor deze tak van sport het beste resultaat geeft is niet goed te beantwoorden. Uiteraard ligt het maximum bij de verteringscapaciteit. Maar ook de verhouding met ruwvoer en de minimale noodzakelijke hoeveelheid ruwvoer beperkt uiteindelijk de hoeveelheid krachtvoer die je een paard kan geven. Het streven is naar een maximale prestatie, meer wel met een optimale gezondheid. En zo kan je voor elke tak van paardensport een ideale balans zoeken die past bij de prestatie van het paard. En daar kan suiker een rol in spelen, maar ook vetten en vezels dragen bij aan de energievoorziening. Voor veel paarden zal extra suiker niet nodig zijn, maar dat zegt meer over de prestatie van het paard, dan over het “gevaar” van suiker.

 

Win-win situatie met ruwvoer analyse

paarden op stal Om goed advies te kunnen geven zijn veel gegevens nodig die niet allemaal even makkelijk te verkrijgen zijn. Deze week de rantsoenberekening uitgebreid besproken met dierenartsen tijdens de cursus over obesitas en insulineresistentie van de training Voedingsconsulent Paard. Een berekening blijft slechts een schatting van de werkelijkheid. Daar moet je bij stilstaan als getallen op papier staan en realiteit lijken te zijn. Want hoe reëel zijn ze eigenlijk?
De berekening doe je op basis van een aantal aannames en schattingen. Het gewicht van het paard is vaak niet echt met een weegschaal geregistreerd. De behoefte aan voedingsstoffen is afhankelijk van het lichaamsgewicht en dus kan een foute schatting leiden tot over- of onderwaardering van wat het paard nodig heeft. Tel de moeilijkheid om de zwaarte van het werk in te schatten daarbij op en het lijkt of de behoefteberekening een slag in de lucht is. De voederwaarde van het ruwvoer zal in veel gevallen uit een tabel zijn gehaald en niet werkelijk zijn geanalyseerd. De energiewaarde is op basis van de structuur nog enigszins te schatten, het eiwitgehalte een stuk moeilijker en het suikergehalte al helemaal niet. Ook de mineralen zijn zo variabel dat dit niet op grond van uiterlijke kenmerken is te beoordelen. Maar goed, staan getallen eenmaal op papier dan ga je al snel conclusies trekken. En op basis van die conclusies een advies formuleren……

En toch maak ik veel rantsoenberekeningen, maar ben me erg bewust van alle onzekerheden daarin. Ook rekenfouten zijn risico’s die leiden tot een verkeerd advies. Alles drie keer nakijken en narekenen dus. Voor een zo goed mogelijk advies is mijn eerste vraag als ik een bedrijf moet adviseren of er een ruwvoer analyse aanwezig is. Deze vraag is nog niet vaak positief beantwoordt.

Bij een handelsstal staan sportpaarden voor korte of langere tijd in huis. Het ene paard in topconditie, het andere paard net in training. Ook de individuele eigenschappen van een paard maken of hij veel of weinig voer nodig heeft om in conditie te blijven. Zo zijn er felle, temperamentvolle paarden die snel te mager zijn en flegmatiekelingen die extra pit nodig hebben om voldoende te kunnen presteren. Het is meteen duidelijk dat elk paard zijn eigen rantsoen nodig heeft. Meestal zijn er dan ook 2 of 3 soorten krachtvoer en een halve kast aan supplementen. Het ruwvoer hangt er vaak maar een beetje bij. Als men al weet waar het vandaag komt is een analyse bijna nooit voorhanden. En in veel gevallen is de aanvoer van ruwvoer wisselend, zodat de kwaliteit elke paar maanden anders kan zijn. Ondertussen wordt er goed naar de paarden gekeken en voelt men, soms verrassend snel, of een ander krachtvoer of supplement het paard beter doet lopen. Tegenvallende prestaties of conditie van het paard worden altijd opgelost met meer krachtvoer en nog een extra supplement.
Tot het uit de hand loopt en meerdere paarden problemen krijgen in de vorm van koliek, spierproblemen of maagzweren. De voerleverancier wordt vervangen en even lijkt het beter te gaan, tot de klachten weer terugkomen. Paarden zijn te dik of juist te mager, de dierenartskosten rijzen de pand uit en advies is gewenst. Een mooi moment voor mij om in te stappen.
En dus laat ik vaak als eerste het ruwvoer analyseren. Neem ondertussen de gang van zaken uitgebreid door. Van voersoorten, supplementen doseringen, conditie en prestatie van de paarden, voertijden en voerhoeveelheiden.
Vanwege zeer beperkte opslag capaciteit koopt deze handelstal elke maand een kleine voorraad ruwvoer. De leverancier had ook elke keer hooi aanvoer van verschillende boeren. Een analyse had dus niet zoveel zin. Dat maakt een advies wat lastiger. Maar doe ik door zelf het hooi te beoordelen en de mineralen gehalten laag te schatten. Door de variatie aan paarden en behoeften van de paarden in deze situatie kan het zeer nuttig zijn om meer dan één soort ruwvoer te hebben. Een grofstengelig hard hooi bijvoorbeeld naast een meer zachtere variëteit. Zo kan de variatie in behoefte van de paarden meer met ruwvoer worden opgelost in plaats van met krachtvoer. Deze slag is vaak een stap te ver. Maar aan de kwaliteit van het hooi, de keuze die ze moeten maken bij aankoop van nieuw hooi sta ik vaak uitgebreid stil. In de hoop dat het belang hiervan doordringt en men inziet dat dit zowel voor de gezondheid van de paarden als voor hun portemonnee beter uitpakt.

Natuurlijk zijn er heel veel paardenhouders die per maand het ruwvoer kopen en geen analyse willen doen. De hooi verkopers zijn boeren met eigen hooi of handelaren die het hooi van verschillende boeren opkopen. Omdat het niet verstandig is elke maand een andere soort te geven is het goed na te vragen bij de leverancier of je steeds van dezelfde partij hooi kan krijgen. Blijkbaar zien handelaren geen noodzaak om iets extra’s voor hun klanten te doen in de zin van het bijleveren van een analyse. Misschien ook omdat een bijkomend probleem is, dat de meeste eigenaren de getallen van zo’n analyse niet kunnen interpreteren.

Een ruwvoerhandelaar bij mij in de buurt heb ik nu zo ver dat hij het ruwvoer laat analyseren. Ik geef een beoordeling daarvan plus advies hoe dit ruwvoer het beste te gebruiken. Bijvoorbeeld of het voor recreatie paarden, sportpaarden of fokmerries goed voer is en wat er eventueel bijgevoerd moet worden. Maar ook of het suikergehalte aanleiding is om het voor insulineresistente paarden wel in niet in water te weken. Hij kan zijn klanten nu goed adviseren welk ruwvoer voor welk soort paard het beste is. De klant krijgt advies op maat en heeft een uitstekende basis voor het rantsoen van zijn paard, die op zijn beurt gezond blijft doordat er minder onnodige hoeveelheden krachtvoer en supplementen worden gegeven. En dat scheelt de paardeneigenaar dan weer in kosten.
Ik zeg een win-win situatie!

Kopzorgen over mineralen

P25 skelet benen klein bestandDat veel eigenaren zich zorgen maken over de juiste voeding van hun paard bleek maar weer tijdens een bijeenkomst waar ik mijn verhaal over voeding voor hield. Natuurlijk waren er vragen over de verschillen tussen hooi en kuil en wat nu het beste was om te voeren, maar juist ook veel vragen over het geven van welk supplement, koek of mineralensteen zodat het paard niets tekort komt. Heel terecht dat er gelet wordt op de gezondheid van het paard. Soms zijn eigenaren een beetje overbezorgd, dat wel. Paarden hebben een bepaalde behoefte aan voedingsstoffen net als wij. Of dit dagelijks tot twee decimalen achter de komma nauwkeurig gevoerd moet worden is een tweede. Zolang gedurende een gemiddelde tijd alles binnenkomt is er weinig aan de hand. Komt het paard in een situatie waardoor hij of zij meer mineralen of vitaminen nodig heeft, dan moet je daar natuurlijk wel rekening mee houden. Een merrie heeft tijdens de laatste maanden van de dracht nu eenmaal echt meer nodig. Geef je dan te weinig dan is het gevolg een minder gezond veulen (wat je misschien pas op latere leeftijd merkt) en minder goede biest en een lagere melkproductie. Ook dat laatste merk je niet, tenzij het veulen echt achterblijft of ziek wordt. Maar mogelijk dat je wel de merrie en het veulen al meer bent gaan bijvoeren omdat de conditie achteruit gaat. Oftewel moet je eerst wachten tot het mis gaat om uit te komen op een optimale zorg?

Soms gaat het echt mis. Laatst werd ik gevraagd de rantsoenen van sportpaarden uit Azië te beoordelen. De voornaamste klacht was het hoge aantal kreupele paarden op stal.  Een bedrijfsbezoek was helaas niet bij de prijs inbegrepen, dus geprobeerd om zoveel mogelijk informatie via e-mail te verkrijgen. Vooral het ruwvoer is een punt dat absoluut anders is dan in ons werelddeel. Tropische grassen bevatten andere voederwaarden. Ongeacht kennis van het ruwvoer bleek het rantsoen zo afwijkend te zijn, dat het me eigenlijk verbaasde dat paarden niet meer klachten hadden. Een zeer beperkte ruwvoergift naast een zeer hoge krachtvoer gift is natuurlijk al vragen om problemen. Als blijkt dat het krachtvoer veel fosfor en weinig calcium bevat is het duidelijk dat het rantsoen leidt tot een veel te lage calcium opname. Om de calciumspiegel in het bloed op peil te houden wordt calcium uit de botten onttrokken. Ontkalking geeft aanleiding tot kreupelheid. Vroeger werd dit regelmatig gezien bij paarden die een zeer eenzijdig rantsoen kregen van granen of graanbijproducten. De paarden van de molenaar leefden op deze resten en kregen het zogeheten Molenaars hoofd. Het gevolg van ontkalking van de schedelbeenderen waardoor uiterlijke veranderingen ontstonden die het paard een groot afwijkend hoofd gaven. De samenstelling van het aanvullende voer zou goed kunnen passen bij een rantsoen met voornamelijk luzerne als ruwvoer, een veelgebruikte optie in landen waar weinig vers gras voorhanden is. Luzerne is namelijk rijk aan calcium. De ongeruste eigenaar van deze sportstal was ondertussen een hele reeks aan supplementen aan het bijvoeren, uit bezorgdheid uiteraard. Het corrigeren van een verkeerd voer met supplementen is een optie, maar moet dan wel goed uitgerekend worden. Anders ontstaan er weer andere tekorten of onbalansen. Een vaak goedkopere en meer eenvoudige optie is om de samenstelling van het aanvullende voer te corrigeren of een andere soort voer te gaan gebruiken. Het rantsoen eenvoudig houden is beter dan elke dag 5 tot 8 supplementen te geven wat eerder tot voedingsfouten gaat leiden.

In Nederland zien we deze excessen niet meer. Paarden krijgen veel beter voer dan 100 jaar geleden én ons ruwvoer is van een redelijke kwaliteit. Alhoewel verarming van grond tot zeer lage concentraties mineralen in het voer kunnen leiden. Een tekort geeft pas problemen als dit een aantal maanden duurt. Reserves en aanpassingen door de stofwisseling beperken in eerste instantie de schade. Krijgen paarden echt alleen maar ruwvoer, zonder iets erbij, dan zijn tekorten mogelijk, vooral van koper, zink, selenium en vitamine E. Ook hier zie je nog betrekkelijk weinig van, vooral bij volwassen paarden waar geen prestatie van geëist wordt. Klachten als slecht verharen, wondjes die moeilijk genezen, mok of staart- en manenexceem kunnen als gevolg van een slechtere weerstand meer voorkomen. Spierproblemen bij sportpaarden of groeiproblemen bij veulens ga je iets eerder zien. Het uitscharen van jonge paarden in (arme) natuurgebieden voor meerdere jaren heeft dus een risico als ze daar echt niets bij krijgen.

Een ander moment dat aandacht verdient in dit kader zijn paarden die moeten vermageren omdat ze te dik zijn. Ook al is het de eigenaar niet opgevallen, maar het dik worden is niet van gisteren op vandaag gebeurt. Daar zijn een aantal maanden overheen gegaan. Zo zal dat ook weer maanden tijd kosten het paard op goed gewicht te krijgen. En daarvoor moet het paard minder eten en meer bewegen. Een rantsoen van beperkt hooi levert je paard te weinig eiwitten, mineralen en vitaminen. Het uitrekenen van de goede voersamenstelling is een lastig karwei. Eiwit kan je bijvoorbeeld aanvullen met luzerne, maar dat bevat ook weer energie. Die hoeveelheid moet je weer in mindering brengen van het hooi. Een supplement zoeken is puzzelwerk. Geen enkel supplement levert voldoende voedingsstoffen als je de dosering aanhoudt, omdat het aandeel ruwvoer zo laag is. Wijk je daarvan af, dan moet je opletten of sommige elementen niet teveel worden en verhoudingen niet verstoord raken. Wat opvalt is dat het fosfor aandeel bijna nooit in voldoende mate wordt aangevuld. Supplementen bevatten vaak redelijk wat calcium maar weinig fosfor. Misschien omdat ze oorspronkelijk zijn samengesteld voor het aanvullen van een granenrijk rantsoen. Om dat dan weer op te lossen zijn zemelen te gebruiken. Dit is een calciumarm en fosforrijk product. Maar ja, om een paar honderd gram zemelen bij te geven moet het energiegehalte weer worden uitgerekend en heeft de eigenaar een redelijke klus om een goed rantsoen te maken.
Het maken van de kant-en-klaar dieetvoeders Sanéqui voor paarden is dus vooral ingegeven om mij veel rekenwerk en de eigenaar veel “gedoe” te besparen!

Het paard loopt op vetzuren

olie gieten in hooi close up Zo’n 100 jaar geleden waren landbouw en leger niets zonder paardenkrachten. Paarden werkten de hele dag en hadden weinig tijd om te eten. Met alleen gras of hooi kregen ze niet genoeg energie binnen, als het al voorradig was. Vooral onderweg was voedsel vaak schaars. Een soort hardgebakken ronde koeken van granen en zaden werden gemaakt voor lange reizen.
Het natuurlijke paardenrantsoen van grassen, blaadjes, takjes en schors is vezelrijk, heeft een wisselend eiwit en suikergehalte en weinig vet. De vertering en de stofwisseling van het paard is aangepast aan deze voersamenstelling.
De werkpaarden kregen dus ander voer te eten met meer zetmeel en suikers dan hun originele rantsoen. Vanwege de hoge energiebehoefte konden ze dat prima gebruiken. Paarden waren toen maar zelden te dik. Granen zijn niet het natuurlijke voedsel van paarden. Net zo min als vetten dat zijn trouwens.

Het huidige leven van het paard ziet er heel anders uit dan 100 jaar geleden. Het paard is nu een gezelschapsdier. Met als gevolg een veel minder hard leven en veel minder zwaar werk. Het rantsoen is ook verandert. De soorten krachtvoer en supplementen zijn niet meer bij te houden. Maar het gekke is, dat paarden eigenlijk tijd genoeg hebben om met het eten van ruwvoer voldoende energie binnen te krijgen. Het werk kost hooguit 1-2 uur per dag aan tijd. Krachtvoer voor extra energie is dan eigenlijk niet nodig.

Te lang stil staan, weinig vezels en veel energie uit zetmeel en suikers zijn risico’s voor de gezondheid van het paard. Koliek, maagzweren, stalondeugden, spierbevangenheid en obesitas zijn het gevolg.

Is krachtvoer dan nooit nodig?
Jazeker wel, bij goed gebruik kan het een mooi rantsoen opleveren voor het paard. Alhoewel ik van mening ben dat met vetten als energie aanvulling minder snel fouten gemaakt worden die de gezondheid schaden dan met zetmeel en suikers. Vandaar dat mijn voeradviezen en mijn dieetvoeders veelal een relatief hoog vetgehalte en relatief laag gehalte aan makkelijk verteerbare koolhydraten hebben. Dit in tegenstelling tot de meeste krachtvoersoorten, die energie bevatten in de vorm van zetmeel en suikers.

In het verleden heb ik onderzoek gedaan naar de vetstofwisseling van het paard en veranderingen waargenomen bij hoge en lage vetgehalten in het rantsoen in vergelijking met zetmeel- en suikergehalten. Deze veranderingen geven aan dat de spieren en andere weefsels meer vetzuren gaan opnemen als het rantsoen vetrijker is en minder suikers bevat. Een meer recente publicatie laat zien dat de dunne darmvertering een hoge capaciteit heeft om vet af te breken. Het enzym lipase uit de alvleesklier kan vele malen meer geactiveerd worden dan het enzym amylase. Lipase is nodig om vetten af te breken en om te zetten in stukjes die geabsorbeerd kunnen worden in het bloed. Amylase doet dit met zetmeel. Zowel vetten als zetmeel maken geen groot onderdeel uit van het natuurlijke rantsoen van het paard. Maar als je een energiebron moet toevoegen aan het ruwvoer omdat het paard meer nodig heeft dan hij kan opnemen met hooi, dan lijken vetten een betere keuze dan zetmeel en suikers.

Misschien is dat toch niet zo heel erg vreemd als het lijkt. Het paard haalt energie uit ruwvoer doordat bacteriën de vezels omzetten in bepaalde stoffen die geabsorbeerd worden. Deze stoffen heten vluchtige vetzuren. Het voornaamste vluchtige vetzuur dat vrijkomt is acetaat. Een groot deel van dit acetaat wordt na opname direct als brandstof gebruikt.
Het feit dat paarden zulke uitstekende lange afstandlopers zijn hebben ze te danken aan de capaciteit van de spieren om snel op vetzuurverbranding over te schakelen. Vetzuren uit de afbraak van ruwvoer en uit de vetreserves.
Glucose en glycogeen zijn niet geheel onmisbaar. Voor een volledige verbranding van vetzuren is namelijk ook glucose nodig. Maar ook daar heeft het paard zich goed op aangepast. Een ander vluchtig vetzuur dat in de dikke darm vrijkomt is propionzuur. Dit kan de lever in glucose omzetten.

Paarden krijgen meer temperament bij een zetmeelrijk rantsoen en kunnen een grote krachtinspanning verrichten door snel glucose te verbranden. Dit zijn argumenten om toch zetmeel- en suikerrijk krachtvoer te geven. Mits goed gebruikt kan het dus ook zijn waarde hebben. Helaas ontstaan veel problemen door geen goed gebruik en geen kennis van zaken. Veel paardeneigenaren zijn onvoldoende geschoold om goed voor het dier te kunnen zorgen en geven een verkeerd rantsoen. Dierenartsbezoek is dan het gevolg. Gelukkig weet de dierenarts steeds beter om een goed voeradvies te geven en daarmee herhalingen te voorkomen!

Een leven lang leren of lang leve het leren!

meten lengte (2)Het is einde zomer 2013, iedereen komt langzaam aan weer in het gareel. De kinderen naar school, wij aan het werk. En allemaal slaken we even een zucht. Even diep ademhalen voor de spurt van de eerste periode. Deadlines staan genoteerd en komen rap dichterbij, lezingen en presentaties voor mij, proefwerken voor hun. Zij leven van vakantie tot vakantie en tellen de jaren dat ze nog naar school moeten. Nu wil ik hun vreugde van het einde van de schoolcarrière niet in de grond drukken, maar ik vertel ze wel dat het leren na school niet voorbij is. Natuurlijk eerst nog een vervolgopleiding. Maar daarna is het niet tot je pensioen alleen maar aan het werk. Continue verbeter je je kennis en kunde om mee en vooruit te komen. Dat is leuk en inspirerend, want anders zal het werken toch erg saai gaan worden. En uiteindelijk werk je niet om naar het volgende weekend te komen, zoals ik die irritante opmerking vaak op de radio te horen (“we zijn over de helft, jippie bijna weekend!”), maar om een prettig leven te hebben met een bepaalde voldoening. Werk is niet altijd leuk. Mijn inspiratie is ook wel eens even weg. Niet dat ik een sleur in het dagelijks leven heb, gelukkig. Maar als eigen baas is het wel zo dat je zelf de planning, marketing én uitvoering moet organiseren. Over leren gesproken!

Zo ben ik dit jaar druk bezig om cursussen op te zetten. Een gevolg van het idee om mijn kennis aan anderen over te dragen. Maar dat idee moet omgezet worden in een logische structuur, voor een bepaalde doelgroep, in een bepaalde tijd, op een bepaalde datum, met een reader en een power point presentatie plus koffie en een broodje. Regel maar even!

De doelgroep is in eerste instantie de dierenarts. Als de dierenarts praktisch advies kan geven over voeding van paarden dan geeft dit extra waarde aan het consult en is in preventief opzicht ook nog eens kostenbesparend (liever koliek voorkomen met een goed voeradvies!). Dus kennis overdracht. Kennis die ik heb opgedaan als dierenarts, als onderzoeker en als specialist in veterinaire diervoeding, maar bovenal kennis van de afgelopen 10 jaar als paardenvoedingsadviseur. Het belangrijkste is uiteindelijk om kennis toepasbaar te maken. Te vaak lees ik artikelen waarin men de exacte toepassing vermijdt of niet uitspreekt. Stel dat een ouder paard met nierproblemen minder calcium moet krijgen, dat is een algemene maatregel. Dan wil je wel weten hoeveel minder, ten opzichte van wat, en vooral hoe doe je dat? Die stap probeer ik wel te maken.
Voedingsafoto blogdvies moet zo concreet zijn als een recept in een kookboek.

De cursusreeks is begonnen en zal mij de komende jaren bezig blijven houden. De basismodule over de controle van het rantsoen en het paard is een groot succes. In het najaar gaan deze cursisten verder met het vervolg over paarden met insulineresistentie. Daarna komen onderwerpen als koliek, sport, fokkerij en senioren aan bod.

Meteen na het bekendmaken van deze cursusreeks werd ik van verschillende kanten benaderd of ook niet-dierenartsen mochten meedoen. Veelal dierenarts assistenten, maar ook diëtisten en voeradviseurs. De dierenarts assistenten komen in het gesprek met de paardeneigenaar vaak op het onderwerp voeding uit. Als zij daar goed advies over kunnen geven, is dit alweer een waardevolle preventieve stap. En dus heb ik mij voorgenomen ook een cursus te maken voor deze doelgroep. Weer een planning, een locatie, een datum, een reader, een presentatie en de koffie en broodjes niet te vergeten! Ik word er nog bedreven in.

Vandaar dat ook ik even een zucht slaakte nadat mijn vakantie voorbij was. Verschillende deadlines staan dit najaar in mijn agenda genoteerd. En dat betekent vóór die datum een heleboel werk om op dat moment goed beslagen ten ijs te komen. Het is in ieder geval ook voor mij zeer leerzaam. Het dwingt mij de stof na te kijken en uit te diepen en vooral up-to-date te blijven met de laatste ontwikkelingen.

Maar vooral praktisch toepasbaar maken van reeds bestaande kennis. Zo heb ik een Voerwijzer voor paarden gemaakt waarop feitelijk heel in het kort de cursus wordt samengevat. Een geheugensteun voor de dierenarts. De informatie die erop staat over het paard, het voeren en de voedermiddelen is niet nieuw. Maar het gaat uiteindelijk om wat doe je ermee op de werkvloer. Je wordt geconfronteerd met een situatie waarin het paard centraal staat, die bepaalde voedermiddelen krijgt in een bepaald hoeveelheid en frequentie. Kun je snel beoordelen of hier iets aan moet veranderen en zo ja wat? Dan moet het advies ook passen in de situatie. Het heeft weinig zin om te adviseren 8 keer per dag een handje voer te geven aan iemand die het paard niet thuis heeft staan. Soms moet je ook roeien met de riemen die je hebt, tenslotte.
Afijn, iedereen weer aan de slag. Nog even nagenietend van de heerlijke zomer op naar een leerzame winter!
Voor informatie over deze cursussen kijk op www.sanequi.com of stuur even een mailtje naar info@sanequi.nl.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 102 andere volgers